De woningmarkt in Zweden hapert. Koopwoningen zijn duur en een wachttijd van twintig jaar voor een huurwoning is geen uitzondering. Het systeem dat ‘huizen voor iedereen’ belooft, kraakt in zijn voegen. Dat zet architecten, onderzoekers én inwoners aan tot eigen initiatief: het aantal groepen dat droomt van nieuwe manieren van wonen en ontwikkelen groeit. Maar in de praktijk blijkt dat verdraaid lastig, zo ontdek ik op mijn rondreis door Zweedse dorpen en steden, in gesprek met experts en initiatiefnemers. Want hoewel de Zweedse democratie haar burgers al decennialang stevig vertegenwoordigt, is de ruimte voor directe invloed klein. In het land dat bekendstaat om inclusiviteit en gelijkwaardigheid, is een co-creatieve praktijk opvallend schaars.
‘Woningen voor iedereen’
Zweedse huurwoningen zijn voor iedereen. Gemeentelijke woonbedrijven — die het merendeel van de huurwoningen ontwikkelen en bezitten — bouwen vanuit het idee van gelijkwaardigheid voor alle doelgroepen. Daarom is er geen inkomenstoets: wie bovenaan de wachtlijst staat, krijgt de woning, ongeacht inkomen. De huren blijven relatief betaalbaar doordat verhuurders en huurdersorganisaties jaarlijks onderhandelen over de prijzen. Het systeem is gestoeld op de overtuiging dat betaalbare huisvesting toegankelijk moet zijn voor iedereen, omdat onderscheid op basis van inkomen als stigmatiserend wordt gezien.
Een haperend systeem
Maar in de huidige realiteit loopt dit model vast. In de steden zijn de wachttijden voor huurwoningen zo lang dat ouders hun pasgeboren baby’s inschrijven in de hoop dat er twintig jaar later een woning beschikbaar is. Kopen is voor veel mensen geen alternatief, omdat de koopprijzen wél met de markt meestijgen. Vooral Zweden met een kleinere portemonnee vallen buiten de boot.
Kan het ook anders?
Het haperende top-down systeem zet onderzoekers, architecten en inwoners aan tot het zoeken van alternatieven. Het aantal groepen dat zelf wil ontwikkelen en bouwen is de afgelopen jaren sterk gegroeid. In het voorjaar van 2025 reis ik door Zweden op zoek naar voorbeelden van co-creatie. Met een stevige democratische traditie in het DNA van de Zweedse samenleving zou je verwachten dat er volop ruimte is voor ideeën van inwoners zelf. Maar in de praktijk blijkt die ruimte verrassend klein.
‘Eigen initiatief is niet nodig’
De Scandinavische landen staan internationaal bekend om hun sterke democratische waarden. In Zweden ontwikkelde de democratie zich in de eerste helft van de twintigste eeuw, aangejaagd door de groeiende organisatiekracht van de arbeidersklasse. Arbeiders organiseerden zich in vakbonden; vakbonden groeiden uit tot invloedrijke nationale spelers. Stabiele politieke partijen vertegenwoordigden de gehele breedte van de bevolking en de opkomst bij landelijke verkiezingen was jarenlang uitzonderlijk hoog.
Maar deze sterke representatieve democratie had een bijwerking: een zekere apathie ten opzichte van lokale politiek. Tom Miller beschreef in 1979 al hoe Zweden weinig aanleiding ervoeren om zich lokaal druk te maken, omdat zaken op nationaal niveau zo goed geregeld waren. “De Zweden hebben geleerd dat de overheid voor je zorgt. Eigen initiatief is niet nodig,” zegt ook Jenny Stenberg, onderzoeker aan de Universiteit van Göteborg, wanneer ik haar spreek over co-creatie in de Zweedse praktijk van vandaag.
Emancipatie als motor én rem van initiatief
De opkomst van de moderne democratie was aanvankelijk juist motor van allerlei nieuwe vormen van initiatief, ook op het gebied van bouwen en wonen. Er werd gestreefd naar emancipatie van arbeiders, vrouwen en minderheden. Er werden zelfbouwprogramma’s opgezet, zodat arbeiders tegen goedkope leningen een eigen woning konden bouwen. En er ontstonden collectieve woongebouwen, kollektivhus, om met name vrouwen meer ruimte te geven. Gezamenlijk betaald personeel om te koken, op kinderen te passen, schoon te maken en de was te doen stelde vrouwen in staat buiten de deur te werken, ook als ze trouwden en kinderen kregen.
De emancipatie die de zelfbouwprogramma’s en de collectieve woonvormen ooit dreef, droeg echter ook bij aan hun verdwijning. Naarmate de arbeidersklasse er beter bijzat en vrouwen meer individuele vrijheid kregen, was het stimuleren van zelfbouw of collectief initiatief nauwelijks meer nodig. Kinderopvang werd door de overheid geregeld, huishoudelijke taken werden geautomatiseerd. De emancipatie was geslaagd; de noodzaak tot eigen of collectief initiatief gedoofd.
Geïnstitutionaliseerde betrokkenheid
De wereldwijde participatiegolf van de jaren ’60, die ook aan Zweden niet voorbij ging, bracht hierin weinig verandering. Ideeën uit de VS en Groot-Brittannië vonden hun weg naar Zweden; Arnsteins beroemde artikel ‘A Ladder of Participation’ werd in 1969 in het Zweeds vertaald. Er was groeiende kritiek op de grootschalige, als onpersoonlijk ervaren stadsvernieuwing. Lokale overheden wilden anders te werk gaan en namen planners met participatieve idealen aan en in de jaren ’70 ontstonden allerlei community action groups die zich inzetten voor hun directe leefomgeving.
Toch bleef de impact van deze beweging relatief klein. In tegenstelling tot landen als de VS, Groot-Brittannië, Denemarken, West-Duitsland en Frankrijk werden participatieve principes in Zweden nauwelijks wettelijk verankerd. Van de ‘shift of power’ waar Arnstein voor pleitte, kwam het niet. De participatie-idealen werden vooral gebruikt om de representatieve democratie te verfijnen: betere informatie-uitwisseling, meer consultatie, maar geen grotere directe invloed.
Perspectieven van groepen als kinderen en mindervaliden werden ook de decennia erna meer en meer verankerd in planvorming en regelgeving. Maar: hoe uitgebreider het inclusieve beleid, hoe minder ruimte er overbleef voor afwijking, creativiteit en daarmee voor initiatief van onderop.
De paradox van de democratie
En dit is precies waar initiatiefnemers vandaag de dag tegenaan lopen. Verrassend genoeg lijkt daarmee het sterke democratische fundament van Zweden directe betrokkenheid van inwoners te belemmeren. Veel is zorgvuldig vastgelegd, waardoor de ruimte voor experiment, afwijking of collectieve creativiteit klein blijft. Inspraak is stevig geïnstitutionaliseerd: Zweden worden gehoord, maar niet vaak uitgenodigd aan de ontwerptafel. Een opmerkelijke paradox: in een land dat bekendstaat om inclusiviteit en gelijkwaardigheid, is een co‑creatieve praktijk juist opvallend schaars.
Vervolg: momentum voor alternatieven
De stokkende woningmarkt doet echter door het hele land vuurtjes aanwakkeren om tóch zelf aan de slag te gaan. De belangstelling voor collectief wonen, zelfbouw en bottom‑up ontwikkelingen groeit opnieuw. Op verschillende plekken proberen Zweden te laten zien dat het wél kan. Lees in het volgende artikel hoe architect Karin Kjellson de kunst van het samen ontwikkelen van woningen nieuw leven probeert in te blazen.
Dit onderzoek naar co-creatie in Zweden was mogelijk met steun van de Marina van Dammebeurs, in samenwerking met Universiteitsfonds Delft. Hanneke won de beurs in 2019 met haar plan om internationale voorbeelden van co-creatie te bestuderen en zo het co-creatieve vakgebied te versterken. In 2020 bezocht ze Chili; in 2023 Japan. Zweden is haar derde bestemming.


