Collectief woningbezit is in Zweden de normaalste zaak van de wereld. Het collectief ontwikkelen van woningen is echter nauwelijks mogelijk. Terwijl juist daarin kansen liggen voor betaalbaar wonen en versterking van de leefbaarheid van buurten, ziet architect Karin Kjellson. Om dit te bewijzen, ontwikkelde ze samen met vrienden een gedeelde woonplek in een vergrijzende buitenwijk van Stockholm.
Veel collectief woningbezit, nauwelijks collectieve ontwikkelingen
In Zweden is het heel gebruikelijk dat mensen samen eigenaar zijn van hun woningen. Vrijwel alle koopappartementen zijn eigendom van een bostadsrättsförening, een soort vereniging van eigenaren. De leden van de vereniging kopen elk het recht om in één van de appartementen te wonen en betalen gezamenlijk de kosten voor beheer en onderhoud.
Maar het collectief ontwikkelen van woningen, zoals we dat in Nederland kennen bijvoorbeeld in de vorm van een wooncoöperatie of collectief particulier opdrachtgeverschap, is nagenoeg geen onderdeel van de Zweedse bouwcultuur. Gemeentelijke woonbedrijven en commerciële ontwikkelaars domineren de markt en bouwen het aanbod. Ontwikkelaars dragen hun ontwikkelde vastgoed in enkele jaren na oplevering over aan de bostadsrättsförening, waarmee bewoners gezamenlijk eigenaar worden.
Collectief wonen
Ook collectieve woonvormen, waarin bewust voorzieningen worden gedeeld, worden in Zweden historisch gezien zelden ontwikkeld door bewonersgroepen zelf. De eerste Zweedse kollektivhus ontstonden in de jaren ’30 van de vorige eeuw om vrouwen meer ruimte te geven. In een van de eerste voorbeelden uit 1935 in Stockholm ontwierp de architect, Sven Markelius, liften voor maaltijden die vanuit een centrale keuken naar de relatief kleine individuele appartementen – zonder keuken – werden getransporteerd.
Er volgden andere vergelijkbare projecten, waaronder Hässelby familjehotell in de jaren ’50 met ruim 300 appartementen en gedeelde functies als een restaurant, kinderopvang, sportruimte, kapper, wasservice en een meditatieruimte. Alle collectieve woongebouwen berustten op het concept dat individuele huishoudens wat ruimte inleveren ten behoeve van collectieve ruimtes, waardoor de huur- of koopprijs van de woningen vergelijkbaar blijft.
Op deze manier werden er zo’n 50 collectieve woonprojecten ontwikkeld tot in de jaren ’80. Opvallend is dat veruit de meeste woongebouwen werden ontwikkeld door particuliere vastgoedeigenaren en later ook gemeentelijke woningbouworganisaties. Er zijn slechts twee voorbeelden waarbij bewoners zelf betrokken waren in de fase van ontwikkeling.
De Zweedse collectieve woongebouwen leunden vooral op de collectieve organisatie van wonen, meer dan op een gedeelde manier van leven of gemeenschapsgevoel. Dit maakte de gedeelde faciliteiten ook kwetsbaar. Naarmate het ontzorgen van bewoners minder nodig werd, sloten gebouweigenaren de centrale keukens en andere voorzieningen. Slechts een klein deel van de bewoners nam het heft zelf in handen en ging de gedeelde voorzieningen zelf organiseren, bijvoorbeeld door zelf te koken in de restaurantkeuken. Een groot deel van de kollektivhus werd na de jaren ’80 weer ‘gedecollectiviseerd’.
Weinig ruimte voor afwijking en creativiteit
Karin Kjellson is mede-oprichter van TIP Arkitekter, een ontwerp- en onderzoeksbureau in Stockholm dat actief zoekt naar manieren om betrokkenheid van mensen in de architectuurpraktijk te vergroten, vanuit de wens om te bouwen aan een leefomgeving die meer bijdraagt aan de leefbaarheid van buurten en meer aansluit bij behoeften van mensen.
Ze ervoer zelf hoe de huidige ontwikkel- en bouwpraktijk weinig ruimte laat voor diversiteit. Zo maken de eisen aan woningplattegronden alternatieve woontypologieën lastig. En laten de minimaal vereiste woninggroottes in de huidige markt weinig ruimte voor het inleveren van individuele ruimte ten behoeve van collectieve voorzieningen. Karin: “ik heb jarenlang woningontwerpen gemaakt voor ontwikkelaars en gemeentelijke woningbedrijven. Maar daar was ik helemaal klaar mee. Je weet van tevoren al hoe de plattegronden gaan worden, er is nauwelijks variatie mogelijk.”
Proberen en leren
TIP Arkitekter is gedreven om te zoeken naar manieren om het anders te doen. Zélf ontwikkelen als bewoners is één van de oplossingen hiervoor. Maar dit is geen gebaand pad. Om te ervaren wat dit vraagt, besloot Karin daarom zelf een nieuwe woonplek te ontwikkelen. Samen met een bevriend gezin viel hun oog op een oude woning in Mälarhöjden, een buitenwijk van Stockholm. De Zweedse wet zegt niets over het aantal woningen dat per plot is toegestaan, maar begrenst alleen het maximale aantal gebouwde kuubs. Het oude huis bood voldoende ruimte om uit te breiden en extra woningen bij te bouwen; de perfecte plek om een byggemenskap voor meer dan één gezin te maken.
Toch duurde het jaren voordat Karin haar plan ook echt van de grond kreeg. Gezamenlijke financiering bleek onmogelijk. Karin moest het huis individueel kopen. En ging vervolgens de strijd aan met het systeem om er alsnog een collectieve ontwikkeling van te maken. Niet alleen voor de twee initiatiefnemende huishoudens, maar voor nog eens 4 woningen. En dat lukte. Uiteindelijk was er één bank die het plan wilde financieren, waardoor de aangekochte woning getransformeerd kon worden tot plek voor 6 woningen.


Een kleine byggemenskap
Het oude huis is gerenoveerd en inmiddels de thuisbasis van Karin en haar gezin. Rondom de oorspronkelijke houten woningen zijn twee nieuwe volumes gebouwd. In een eerste volume is op de begane grond plek voor een gezin, met daarboven twee kleinere appartementen. Het andere volume is verdeeld in twee woningen. Door de ligging van het kavel op de kop van een cluster woningen, grenst het kavel aan drie kanten aan de straat en hebben alle zes huishoudens een eigen voordeur aan de straat, ook de appartementen. De huishoudens hebben allen een eigen terrasje en delen daarnaast een tuin met een berging, een fietsenstalling en gezamenlijk terras.
Kans voor de buurt
De ervaring met collectief ontwikkelen smaakt naar meer, zo geeft Karin aan. Ze ziet kansen juist in buitenwijken zoals deze. “Er wonen veel mensen die op leeftijd raken, soms zijn ze eenzaam. Ik denk dat best veel mensen ervoor openstaan om hun kavel te delen met meerdere huishoudens.” Juist de architectuur van de buitenwijken spreekt haar daarbij aan. “Ook ontwikkelaars kopen dit soort woningen op, gooien de woning plat en bouwen er een fors appartementencomplex. Dat stuit op weerstand in de buurt, omdat het traditionele karakter van vrijstaande houten woningen in het groen verloren gaat.” De collectieve ontwikkeling zoals die van Karin levert andere architectuur op. “Dit soort ontwikkelingen past bij de karakteristieke architectuur van dit soort Zweedse buitenwijken en het collectieve karakter versterkt de sociale samenhang in de buurt.”








Vervolg: zelf bouwen in de ‘eigen-huis-fabriek’
Ook op Tjörn, een eiland net boven Göteborg, spant een gedreven groep Zweden zich in voor meer co-creatie. Lees in het derde artikel op zoek naar co-creatie in Zweden over de ‘eigen-huis-fabriek’.
Dit onderzoek naar co-creatie in Zweden was mogelijk met steun van de Marina van Dammebeurs, in samenwerking met Universiteitsfonds Delft. Hanneke won de beurs in 2019 met haar plan om internationale voorbeelden van co-creatie te bestuderen en zo het co-creatieve vakgebied te versterken. In 2020 bezocht ze Chili; in 2023 Japan. Zweden is haar derde bestemming.


